|
Duidelijke antwoorden
Globaal cardiovasculaire risicofactoren
Sommige gedragingen in ons dagelijks leven vergroten de kans dat we vroeg of laat problemen krijgen met hart en/of bloedvaten.
Deze gedragingen zijn met bepaalde individuele bijzonderheden bijeengebracht onder de noemer “cardiovasculaire risicofactoren.”
Een aantal risicofactoren kunnen we wel corrigeren als we het risico voor het hart en de bloedvaten willen verminderen.
|
De bekendste en gevaarlijkste zijn roken, verhoogde bloeddruk, toename van het cholesterolgehalte, gebrek aan lichaamsbeweging, overgewicht en type 2 diabetes.
Elke risicofactor op zich is in staat iemands kans op hart- en vaatproblemen te vergroten. Maar men dient vooraf te weten dat het risico het sterkst toeneemt wanneer meerdere van die factoren aanwezig zijn, ook in een niet zo uitgesproken mate.
|
Ondanks de onmiskenbare medische vooruitgang blijven cardio- en cerebrovasculaire aandoeningen de voornaamste doodsoorzaak in België, verantwoordelijk voor meer dan een derde van alle overlijdens per jaar.
In 10 % van die gevallen sterven mensen die nog geen 65 zijn.
Risicofactoren opsporen en systematisch corrigeren is duidelijk een absolute noodzaak.
|
Op de website van de Belgische Cardiologische Liga kan je gratis brochures bestellen met duidelijke antwoorden op vragen omtrent een aantal risicofactoren voor hart en/of bloedvaten.
Neem geen risico's, je kan hieronder deze brochures on line lezen.
Brochures met duidelijke antwoorden (Bron: Belgische Cardiologische Liga)
- HOGE BLOEDDRUK
- CHOLESTEROL
- VOEDING EN GEZONDHEID
- ZWAARLIJVIGHEID
- LICHAAMSBEWEGING
- DIABETES
In België zijn er onder de 15-plussers ongeveer 1.200.000 van wie de bloeddruk meer bedraagt dan 140/90 mm Hg en waarschijnlijk nog eens zoveel in dezelfde situatie maar zonder het te weten.

1. Wat is een normale bloeddruk en vanaf welke waarden spreken we van een hoge bloeddruk ?
De bloeddruk wordt internationaal uitgedrukt in mm Hg (millimeter kwik). In België wordt af en toe nog cm Hg gebruikt.
De bloeddruk is normaal als de bovendruk lager is dan 140 mm Hg (14 cm Hg) en de onderdruk lager is dan 90 mm Hg (9 cm Hg).
Voor personen met bepaalde ziekten zoals suikerziekte of ernstige nierlijders liggen de grenzen van normale bloeddruk lager.
2. Van waar komt hoge bloeddruk ?
Waarom heb ik hoge bloeddruk ?
Bij meer dan 9 op 10 patiënten met hoge bloeddruk is de oorzaak ervan niet bekend.
Wel weten we dat weinig bewegen, ruimer alcoholgebruik en overgewicht het risico op het krijgen van hoge bloeddruk doet toenemen.
Naast deze factoren van levensstijl spelen ook erfelijkheid en omgevingsfactoren (die bijvoorbeeld de psychosociale stress verhogen) een belangrijke rol.
|
3. Hoge bloeddruk is gevaarlijk voor hart- en bloedvaten !
Hoge bloeddruk verhoogt het risico op hart- en vaatziekten.
Vooral het risico op beroerte en hartinfarct nemen bij hoge bloeddruk sterk toe.
4. Enkele gouden regels om hoge bloeddruk te vermijden
- Gezonde voeding (zout en vet beperken, voldoende groenten en fruit verbruiken).
- Overgewicht vermijden.
- Regelmatige lichaamsbeweging (minimaal 3 x per week 30 minuten wandelen, stappen, fietsen, zwemmen …).
- Alcoholgebruik beperken (man: maximaal 3 glazen/dag; vrouw: maximaal 2 glazen/dag).
Daarnaast is het aangeraden om roken te vermijden dat evenals hoge bloeddruk het risico op vroegtijdige slagaderverkalking verhoogt.
5. Wanneer een behandeling met bloeddrukverlagende geneesmiddelen beginnen ? Wie behandelen ?
De bloeddruk schommelt doorheen de dag. Om vast te stellen of u hoge bloeddruk heeft, moeten de metingen onder standaardomstandigheden worden afgenomen: minimaal 5 minuten rustig zitten en niet spreken.
Hoge bloeddruk wordt meestal bepaald in 2 tot 3 sessies op verschillende dagen, waarbij telkens de bloeddruk minimaal 2 keer gemeten wordt.
Of uw bloeddruk met medicijnen moet worden behandeld hangt af van de effecten van levensstijlmaatregelen (zie punt 4: goeden regels) op uw bloeddruk af en van uw totaal risico op hart- en vaatziekten.
Uw totaal risico op hart- en vaatziekten hangt naast de bloeddruk ook van andere factoren af zoals uw rookgedrag, cholesterol, andere ziekten (suikerziekte, nierlijder …). Uw arts kan dit totaal risico inschatten.
6. Hoe hoge bloeddruk behandelen ?
Door maatregelen die uw risico op hart- en vaatziekten verminderen. Hiertoe behoren maatregelen om de bloeddruk te verlagen en eventueel ook andere maatregelen.
Maatregelen om de bloeddruk te verlagen :
- Door de levensstijlmaatregelen (zie punt 4: goudenregels)
- Door bloeddrukverlagende medicatie: de meeste patiënten hebben meerdere bloeddrukverlagende medicijnen nodig om hun bloeddruk goed onder controle te krijgen.
Andere maatregelen :
Hiertoe behoren cholesterolverlagende middelen en ‘bloedverdunners’ zoals aspirine.
|
7. Alleen gestresseerde mensen lijden aan hoge bloeddruk !
Dit is onjuist. Stress kan de bloeddruk wel verhogen. Vaak is de bloeddrukverhoging tijdelijk tijdens de stress. Psychosociale stress kan echter ook tot blijvende bloeddrukverhoging aanleiding geven.
Of u enkel in stresssituaties of ook daarbuiten hoge bloeddruk heeft kan vaak genoeg nagegaan worden met behulp van 24-uurs bloeddrukmeting.
8. Wat wil men met een bloeddrukverlagende behandeling bereiken ? Waarom hoge bloeddruk behandelen ?
Hoge bloeddruk verhoogt het risico op hart- en vaatziekten, vooral beroerte en hartinfarct, vaat- en nierlijden. Het is bewezen dat verlaging van de bloeddruk het risico doet dalen.
9. Welke zijn de risico’s indien ik mijn hoge bloeddruk niet laat behandelen ?
U loopt het risico om voortijdig (op jongere leeftijd dan normaal) hart- of vaatziekten te krijgen en hieraan eventueel vroegtijdig te overlijden.
10. Wat voel ik bij hoge bloeddruk ?
De meerderheid van patiënten met hoge bloeddruk voelen zich goed. Ze hebben helemaal geen klachten. Als er toch klachten van hoge bloeddruk optreden, dan is hoofdpijn de vaakst voorkomende klacht.
11. Is het aan te raden om de bloeddruk zelf te meten ?
Zelf meten van uw bloeddruk kan een goede hulp zijn om uw bloeddruk onder controle te houden.
De bloeddruk moet wel onder de juiste (zie punt 5) omstandigheden worden gemeten, bij voorkeur met een bloeddrukmeter waarvan de machette om uw bovenarm wordt aangelegd en niet rond uw pols.
U bespreekt de resultaten van zelfbloeddrukmeting best met uw arts. Deze kan oordelen of uw behandeling moet worden aangepast. Het is niet aan te bevelen zelf uw medicatie op de zelfbloeddrukmetingen aan te passen. Indien u zich voor elke zelfbloeddrukmeting erg veel zorgen maakt, dan kunt u deze best laten. Bespreek dit met uw arts.
Dr. Ph. Van den Borne
Voorzitter Belgische Hypertensie Comité
|
In België zijn er onder de 15-plussers ongeveer 7.000.000 met een te hoog cholesterolgehalte.

1. Waar komt cholesterol vandaan ?
Cholesterol komt op twee manieren in ons lichaam terecht:
- We nemen cholesterol op via de voeding (1/3) en
- Ons lichaam maakt er ook zelf, vooral in de lever (2/3).
Cholesterol uit voeding is hoofdzakelijk afkomstig uit het membraan van dierlijke cellen.
We nemen er dagelijks tussen 300 en 700 mg van op.
De lever maakt iedere dag ongeveer 1 g cholesterol aan.
Een deel van die cholesterol komt in de vorm van lipoproteïnen in het bloed terecht, de rest wordt afgevoerd in de gal, deels in de vorm van cholesterol en deels in de vorm van galzouten, die op de basis van cholesterol worden aangemaakt.
2. Waarom heeft men het over goede en slechte cholesterol ?
De cholesterol bevindt zich niet als zodanig in het bloed, maar als een onderdeel van grotere structuren, verbindingen van vetten en eiwitten (lipoproteïnen).
Er bestaan verschillende soorten lipoproteïnen. Enkele daarvan zijn bijzonder klein: de LDL en de HDL. Beide kunnen bloed filteren aan de binnenzijde van de slagaderwand.
Zodra de LDL zich in de slagaderwand bevinden, fixeren ze zich op het basismateriaal van de wand, ondergaan ze wijzigingen (door oxidatie) en stapelen ze zich geleidelijk op om uiteindelijk de atheroscleroseletsels te veroorzaken.
HDL daarentgen heeft met name de eigenschap dat het een deel van de cholesterol die in de slagaderwand is neergeslagen, opnieuw los kan maken en meenemen naar de lever om te worden afgevoerd.
Daarom noemt men de eerste (LDL) “slechte cholesterol” en de tweede (HDL) “goede cholesterol”.
Het teveel aan LDL werkt de vorming van atheroscleroseletsels in de hand, terwijl overschot aan HDL weergeeft in welke mate het lichaam zich tegen atheroscleroseletsels kan beschermen.
|
3. Wat zijn de gevolgen van een teveel aan cholesterol ?
Te veel cholesterol is vooral schadelijk voor de slagaderwand, want de andere organen slagen er zonder al te veel moeilijkheden in zich tegen cholesterolafzetting te verdedigen.
Er bestaan “zichtbare” ophopingen van cholesterol, zoals de ontwikkeling van een grauwe boog (corneaboog) in het oog en van gezwelletjes aan de pezen, meer bepaald de achillespezen (xanthomen).
De cholesterolafzetting in die twee weefsels veroorzaakt weinig problemen van betekenis. Het teveel aan cholesterol in de slagaderwand daarentegen brengt het atheroscleroseproces op gang.
4. Hoe kan ik weten dat ik te veel cholesterol heb en vanaf wanneer is het écht te veel ?
De enige manier om te weten te komen hoeveel cholesterol men in het bloed heeft is met een bloedstaal.
Een vermoeden van te veel cholesterol in het bloed kan rijzen als de arts gezwelletjes opmerkt aan bepaalde pezen (xanthomen).
Normale cholesterolwaarden zijn nog niet definitief bepaald, maar duidelijk is dat de evolutie van de richtwaarden voortdurend neerwaarts verloopt.
Het LDL-C gehalte dat momenteel wordt aanbevolen bedraagt minder dan 115 mg/dl. Het gehalte waarbij zich geen atheroscleroseletsel meer ontwikkelt zou zowat 70 mg/dl kunnen zijn !
5. Wat zijn de oorzaken van een teveel aan cholesterol ?
Toename van de hoeveelheid cholesterol in het bloed kan te wijten zijn aan voedingsfactoren, zoals te veel dierlijke producten in de voeding of het verbruik van verzadigde vetzuren, die de opname van cholesterol in de hand werken.
Ook kan het teveel verband houden met het lichaam zelf.
In een aantal gevallen kan de lever een teveel aan cholesterol aanmaken (meer bepaald bij zwaarlijvigheid).
In de meeste gevallen gaat het om een gebrekkige afvoer van cholesterol door de lever: normaal dragen de LDL een merker (apoB), waardoor ze zich kunnen hechten op specifieke receptoren (LDL-receptoren) in alle cellen en vooral in de levercellen.
LDL-fixatie in cellen is de eerste fase van de opname van LDL in de cellen, waardoor de accumulatie ervan in het bloed beperkt blijft.
Genetische afwijkingen kunnen ertoe leiden dat de apoB of de receptoren zodanig wijzigen dat de LDL niet langer gecapteerd en dus ook afgevoerd kunnen worden, zodat ze zich eerst in het bloed en vervolgens in de slagaderwand ophopen.
6. Klopt het dat men alleen al door anders te gaan eten zijn cholesterolgehalte met 15 % kan doen dalen ?
Met minder cholesterol en minder verzadigde vetzuren in de voeding kan men inderdaad het cholesterolgehalte en dan vooral het LDL-C gehalte verlagen.
Een evenwichtige voeding kan leiden tot een gemiddelde verlaging van het LDL-C gehalte met ongeveer 10 %. Welbepaalde voedingspatronen, bijvoorbeeld bij vegetariërs, kunnen het LDL-C gehalte enorm doen dalen tot waarden van 30 %.
Doorgaans bevat een dergelijk voedingspatroon plantaardige sterolen, soja-eiwitten, viskeuze vezels en eventueel bepaalde zaden (amandelen). Ter vergelijking: de werkzaamste geneesmiddelen doen het LDL-C gehalte met 50 tot 60 % dalen.
|
7. Vanaf wanneer geeft men geneesmiddelen om het cholesterolgehalte te doen dalen ?
De beslissing om het cholesterolgehalte met geneesmiddelen te doen dalen hangt niet in de eerste plaats af van het gehalte zelf. Er zijn immers mensen die wel een hoog cholesterolgehalte maar niet noodzakelijk hart- en vaatproblemen hebben.
Van belang is niet zozeer het cholesterolgehalte verlagen maar wel het risico van een cardiovasculair accident. Dat risico houdt niet alleen verband met het cholesterolgehalte maar ook met andere factoren (roken, hoge bloeddruk, diabetes, …).
In eerste instantie zal men bijgevolg moeten weten of het cardiovasculaire risico op grond van de risicofactoren samen (dus niet alleen degene die met vetten te maken hebben) toeneemt.
Als de arts vindt van wel, dan moet men werken aan alle risicofactoren die voor wijziging vatbaar zijn, d.w.z. stoppen met roken, bloeddruk verminderen, … en minder cholesterol.
Om het cholesterolgehalte te verlagen dient men in eerste instantie opnieuw tot een evenwichtige voeding te komen.
Pas wanneer het cholesterolgehalte dan nog te hoog blijft, kan men geneesmiddelen overwegen.
Men moet daarbij voor ogen houden dat een vermindering van het LDL-C gehalte met 25 à 30 % preventief reeds interessant is, al liggen de ideale waarden waarschijnlijk veel lager dan wat momenteel nog wordt aanbevolen.
8. Het verband tussen lichaamsbeweging en cholesterol is mij niet duidelijk !
Regelmatig en volgehouden lichaamsbeweging houdt een gunstige wijziging in van heel wat parameters die een weerslag hebben op het hart- en vaatrisico: ze helpt het gewicht onder controle te houden, verlaagt de bloeddruk, verbetert de viscositeit van het bloed, ontwikkelt collaterale bloedcirculaties, verbetert de insulineresistentie, …
Op de slechte cholesterol heeft lichaamsbeweging geen invloed, maar ze verhoogt wel het HDL-C gehalte en vermindert het triglyceridengehalte. En dat zijn veranderingen die als gunstig kunnen worden beschouwd op cardiovasculair gebied.
Het is trouwens reeds aangetoond dat regelmatige lichaamsbeweging het vrijmaken en dus afvoeren van cholesterol in de hand werkt.
9. Ik ben niet dik en toch heb ik te veel cholesterol !
Cholesterolrijke voeding of overgewicht werken een stijging van het cholesterolgehalte in de hand.
Zoals reeds gesignaleerd kunnen er genetische afwijkingen bestaan die ertoe leiden dat de LDL-C onvoldoende wordt afgevoerd. In dat geval blijft het weliswaar altijd nuttig op voeding te letten en ervoor te zorgen dat men geen overgewicht heeft, maar het is duidelijk dat zelfs drastische wijzigingen in de voeding en het lichaamsgewicht het cholesterolgehalte niet kunnen doen dalen.
Prof. Dr. F. Heller
Belgian Lipid Club
|

1. Varkensvlees bevat veel minder goed vet
FOUT - Voor varkensvlees is in tal van diëten geen plaats, en toch… Door veredeling van varkensrassen is men erin geslaagd mager varkensvlees te verkrijgen dat nog slechts ongeveer 4 % vet bevat.
Dit is zelfs minder dan sommige runderbiefstukken met ongeveer 5 % vet, hoewel deze laatste als toonbeeld van “mager vlees” gelden.
Bovendien is het aandeel van verzadigde vetzuren in varkensvlees geringer dan in het vet van ander slachtvlees.
Varkensvlees is dus vaak mager (gebraad, mignonette, varkenshaasje, varkenslapje, …), maar er zijn natuurlijk ook vettere stukken (bv. spiering).
2. Het is aanbevolen elke dag ten minste 300 g groenten en 2 stukken fruit te eten
JUIST - Ervoor zorgen dat de mensen meer fruit en groenten eten is een belangrijke doelstelling van de volksgezondheid, meer bepaald als het de preventie van hart- en vaatziekten betreft.
De wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bepleit dagelijks een minimale opname van 400 g fruit en groenten. Het gaat dan over zowel verse, diepgevroren, geconserveerde als gedroogde producten. Aardappelen maken daar evenwel geen deel van uit.
In de praktijk bereikt men dit doel bijvoorbeeld met een stuk fruit (of vruchtensap) bij het ontbijt, een kom groentesoep en een broodje met rauwe groenten voor de 2e broodmaaltijd en bij de warme maaltijd 3 groentelepels gekookte groenten en een stuk fruit als dessert of tussendoortje.
|
3. Halfvolle melk bevat even veel calcium als volle melk
JUIST - Calcium is oplosbaar in water, niet in vet. Door melk af te romen kan men er nagenoeg al het vet uit verwijderen, waardoor ook de in vet oplosbare vitaminen A en D verloren gaan. Maar calcium, eiwitten, vitamine B2 … blijven wel in de melk.
Halfvolle melk vormt een goede tussenoplossing: ze is minder vet dan volle melk, levert even veel calcium en eiwitten, en bevat nog altijd een niet te verwaarlozen hoeveelheden vitamine A en D.
We mogen niet vergeten dat melkvet (en dus ook room, kaas, boter …) naar verhouding veel verzadigde vetzuren bevat, en dat zijn juist de vetzuren die we proberen te verminderen in het raam van een voedingspatroon dat gezond is voor hart en slagaders.
4. Soja-eiwitten verlagen het cholestrolgehalte
JUIST - Van de sojabonen (niet te verwarren met “sojascheuten” die eigenlijk de kiemen zijn van de mungboon) worden heel wat producten gemaakt, zoals “sojadrinks”, tofu (zgn. sojakaas), tonyu (zgn. gefermenteerde sojadrink of “sojayoghurt” en andere toetjes.
Uit onderzoek is gebleken dat soja-eiwitten een gunstige invloed hebben op het cholesterolgehalte doordat ze de LDL-cholesterol (de “slechte”) verminderen en de HDL (de “goede”) ongemoeid laten. De Amerikaanse Food and Drug Administration erkent die werking trouwens.
Om van een gezondheidsvoordeel te genieten moet men wel voldoende soja-eiwitten innemen, nl. ongeveer 25 g per dag, wat afhankelijk van het sojaproduct, neerkomt op 2 tot 4 porties (het eiwitgehalte staat meestal op het etiket).
5. Eén keer per week vis eten volstaat om de behoefte aan omga-3 vetzuren te dekken
FOUT - Het is intussen bekend welke voordelige invloed die de typische omgea-3 vetzuren uit vis (EPA en DHA) op de gezondheid van hart en bloedvaten hebben. Vette vis vormt een zeer interessante bron van dit soort vetzuren. Voorbeelden daarvan zijn sardien, haring, makreel, zalm, paling … Andere vissoorten zoals zalmforel, tonijn of heilbot, leveren eveneens interessante hoeveelheden. Kabeljauw en koolvis daarentegen en dat zijn de soorten die in België veruit het meest worden gegeten – bevatten heel weinig omega-3 vetzuren.
Bovendien speelt ook de bereidingswijze een belangrijke rol: gebakken vis verliest een groot gedeelte van zijn gunstige eigenschappen.
Om de aanbevolen hoeveelheden omega-3 vetzuren op te nemen zou vis ten minste twee keer op het menu moeten staan, waarvan één keer in de vorm van een vette vissoort.
Ook bepaalde smeervetstoffen zijn verijkt met deze zogenaamde visvetzuren.
6. Functionele voedingsmiddelen met sterol/stanolesters hebben een bewezen positieve invloed op het cholesterolgehalte
JUIST - Sterol- of stanolesters zijn verbindingen die in kleine hoeveelheden van nature voorkomen in het plantenrijk. Hun moleculenstructuur gelijkt sterk op die van cholesterol. In het darmkanaal treden ze in concurrentie met cholesterol, waardoor er minder cholesterol wordt opgenomen. Sommige zogeheten “functionele” voedingsmiddelen zijn verrijkt met plantaardige sterolen om het cholesterolgehalte te verlagen.
Met twee tot drie gram plantaardige sterolen per dag krijgt men 10 to 15 % verlaging van het LDL-cholesterolgehalte zonder dat er aan het HDL- cholesterolgehalte geraakt wordt. Dergelijke functionele voedingsmiddelen moeten wel verbruikt worden binnen een evenwichtige voeding.
|
7. Olijfolie is rijk aan omega-3 vetzuren
FOUT - De belangrijkste vertegenwoordiger van de omega-3 vetzuren is alfa-linoleenzuur. Olijfolie bevat zo goed als geen alfa-linoleenzuur en dat is een essentieel omega-3 vetzuur. In tegenstelling met de meeste oliën is olijfolie rijk aan mono onverzadigde vetzuren, die eveneens een belangrijke plaats innemen binnen een evenwichtige voeding.
De meeste plantaardige oliën (zonnebloem, maïs, soja …) bevatten veel linolzuur, een ander essentieel vetzuur maar dan uit de omega-6 familie.
Het is van belang een zeker evenwicht tussen omega-6 en omega-3 vetzuren in acht te nemen, aangezien ons lichaam het ene niet kan maken uit het andere. Dat evenwicht is er in onze huidige voeding niet omdat we te weinig omega-3 opnemen (zie ook vraag 5).
Lijnolie, koolzaad-, hennep- en notenolie zijn wel rijk aan omega-3, evenals bepaalde oliemengsels of vetstoffen op basis van die oliën. Sommige margarines worden verrijkt met omega-3 vetzuren.
Het is aan te bevelen om niet uitsluitend olijfolie te gebruiken voor de keukenbereidingen.
8. “Light” voedingswaren zijn niet altijd vetarm
JUIST - “Light” voedingswaren bevatten minder vetstof, suiker … Veelal is het gehalte aan vetten, suikers en/of energiewaarde zowat 30 % lager den bij hetzelfde product in de gewone versie.
In sommige gevallen, bijvoorbeeld dranken, betekent “Light” zelfs dat alle suiker daarin vervangen is door een intensieve zoetstof die geen calorieën levert. Maar “Light” betekent niet altijd dat men er volop mag van eten of drinken!
Voor een aantal producten moet men oppassen, bijvoorbeeld voor “Light” chips, die weliswaar minder vet zijn dan klassieke chips maar nog altijd zeer veel vet (en verzadigde vetzuren) en zout bevatten, zodat ze niet echt aan te bevelen zijn binnen een evenwichtige voeding.
9. Meergranenbrood bevat even veel voedingsvezels als volkorenbrood
FOUT - Volkorenbrood wordt gemaakt van tarwemeel waarin de zemelen en de kiemen van de tarwekorrels nog aanwezig zijn. Meergranenbrood wordt weliswaar gemaakt van meer dan één graansoort, maar niets zegt dat het daarbij om volkorenmeel gaat.
Het kan best zijn dat het meel van die verschillende graansoorten geraffineerd werd. In de praktijk zijn ze veelal wel vezelrijker dan wit brood, maar minder rijk aan vezels dan volkorenbrood.
Een zeer “luchtig” meergranenbrood kan zelfs ronduit vezelarm zijn en dankt zijn donkere kleur dan aan melasse, dat als natuurlijke kleurstof wordt gebruikt.
Bij “bruin” brood hangt het vezelgehalte af van de hoeveelheid tarwezemelen die erin werd verwerkt.
10. Gehakt of gemalen vlees (worsten…) kan ¼ van zijn gewicht aan vet bevatten
JUIST - Varkensgehakt, kalf-varken, rund-varken, schapengehakt, worstenvlees, vleesbrood… kunnen inderdaad veel vet bevatten. Dat komt doordat er ook vette stukken mee worden vermalen.
Toch wordt er ook mager gehakt vlees verkocht (zuivere gemalen runderbiefstuk of “américain nature”, mager varkensgehakt, met maximum 5 % vet en kippengehakt met ongeveer 12 % vet).
Men kan mager gehakt vlees verwerken in vettere gehaktsoorten om het te “verdunnen” zodat het vetgehalte niet meer zo hoog ligt.
Chris Provoost
Vlaamse Beroepsvereniging
van Voedingsdeskundigen en Diëtisten
|
In België zijn er onder de 15-plussers ongeveer 3.300.000 personen met overgewicht of die ronduit zwaarlijvig zijn.

1. Zwaarlijvigheid treft een minderheid van de Belgische bevolking en vooral volwassenen
FOUT - Bijna de helft van de bevolking van ons land heeft een BMI (Body Mass Index) tussen 25 en 29,9 kg/m² en vertoont bijgevolg overgewicht. Ongeveer 15 % is echt zwaarlijvig, met een BMI van 30 kg/m² of meer.
|
2. Wat is een normaal lichaamsgewicht en waarmee moet men rekening houden om het te berekenen ?
Men kan het beter hebben over ‘gezond lichaamsgewicht’. Werken met de Body Mass Index is meer aangewezen dan met louter lichaamsgewicht; men deelt het gewicht (in kg) door het kwadraat van de lichaamslengte (in m): kg/m².
Maar men kan best ook rekening houden met de tailleomtrek: zelfs zonder overgewicht is de aanwezigheid van buikvet schadelijk omdat het de risico’s verhoogt die men gewoonlijk associeert met overgewicht.
De tailleomtrek mag niet meer bedragen dan 80 cm bij een vrouw en 94 cm bij een man. Vanaf 88 cm bij de vrouw en 102 cm bij de man is het cardiovasculair risico hoger.
3. Vanaf wanneer wordt overgewicht gevaarlijk voor mijn gezondheid ?
Het gevaar verbonden aan te veel gewicht bestaat al zodra de BMI meer dan 25 kg/m² bedraagt.
Het risico neemt toe naarmate het overgewicht toeneemt.
4. Ik zou snel mijn overtollige kilo’s kwijt willen raken. Wat raadt u mij aan ?
Spreek er in de eerste plaats over met uw arts, om na te gaan of u risico loopt. Is het antwoord bevestigend, dan zult u moeten afslanken.
Blijvend resultaat is daarbij slechts mogelijk door uw manier van leven te veranderen : anders gaan leven en meer lichaamsbeweging in uw leven inbouwen.
Andere opties kunnen eveneens besproken worden (voorschrift van een geneesmiddel ? heelkundige ingreep ?), afhankelijk van uw BMI, uw tailleomtrek en andere aanwezige risicofactoren of aandoeningen.
Het komt er niet op aan snel af te slanken maar blijvend.
5. Met lichaamsbeweging verliest men nauwelijks of geen gewicht.
Een regelmatige vorm van lichaamsbeweging in uw leven inbouwen is onontbeerlijk voor het succes van de behandeling, rekening houdend met factoren als leeftijd, gewicht, aandoeningen die met zwaarlijvigheid te maken hebben, en bij voorkeur onder toezicht van een professional.
|
6. Hoe kan ik gezond eten, afslanken en in conditie blijven ?
Een gezonde en evenwichtige voeding put uit alle voedselgroepen. Maar de basis van een dergelijke voeding is een voorkeur voor groenten, fruit, zetmeelproducten en weinig dierlijke producten (met daarbij dan een voorkeur voor vis en gevogelte). Vet mag men slechts in kleine hoeveelheden verbruiken, toegevoegde suikers zouden vermeden moeten worden.
Alcoholische dranken mogen, maar met mate.
7. Men moet veel gewicht verliezen om het risico voor hart- en bloedvaten te verkleinen.
Absoluut niet ! Men kan zich trouwens beter richten op realistische streefcijfers, afhankelijk van diverse factoren: BMI, leeftijd, hoe lang men al zwaar is. Elke kilo die men kwijt raakt, is positief !
8. Wist u dat 10 kg afvallen het teveel aan suiker (glucose) of vetten (cholesterol) in het bloed kan verminderen ?
Uit onderzoek blijkt dat een “bescheiden” aanvankelijk gewichtsverlies van 10 % reeds voor een aanzienlijke verbetering zorgt van de risicofactoren die vaak in verband staan met overgewicht (dyslipidemie, diabetes, hoge bloeddruk…).
9. Kan de tailleomtrek een vrij betrouwbaar idee geven van het hart- en vaatrisico ?
Inderdaad. Uit onderzoek blijkt duidelijk dat zelfs bij een normale BMI het meten van de tailleomtrek personen kan opsporen met een hoger risico ten gevolge van een teveel aan buikvet. Zodra de tailleomtrek meer bedraagt dan 80 cm (bij vrouwen) of 94 cm (bij mannen) is er meer risico.
10. Met wilskracht en een degelijk dieet moet het mogelijk zijn snel af te vallen.
Dat is een simplistische voorstelling: de zaken liggen ingewikkelder dan een tijdelijk “recept” en vragen een specifiek optreden afhankelijk van het geval.
Tegenwoordig overheerst de mening dat overgewicht een ziekte is, een chronische ziekte dan nog. Maar ook een ziekte die men onder controle kan houden !
Daarom berust de beste behandeling voor dit probleem op een interdisciplinaire aanpak en op een verandering van levensstijl.
Dr. M. Kutnowski
Obesitas Forum
|
In België zijn er onder de 15-plussers ongeveer 4.000.000 personen die niet genoeg bewegen.

1. Welke soorten lichaamsbeweging kunnen het risico voor hart en bloedvaten het best verkleinen ? Wat zijn de aanbevelingen ?
Alle soorten lichaamsbeweging zijn aanbevolen omdat ze het cardiovasculaire risico kunnen verminderen. De aard van de beweging die men kiest zal afhangen van ieders smaak en mogelijkheden.
Als algemene regel geldt dat men de voorkeur geeft aan “dynamische” of “isotonische” activiteit, d.w.z. met een ritmische verplaatsing van grote spiermasa’s en een hoge verhouding tussen aëroob en anaëroob energieverbruik.
Klassieke voorbeelden zijn uithoudingssporten zoals fietsen, hardlopen, zwemmen, langlaufen en roeien, met meer dan 70 % aëroob energieverbruik.
Deze soorten inspanning ontwikkelen het aërobe vermogen en zorgen voor een groter uitstootgebied als gevolg van de verwijding van de linker hartkamerholte.
Oefeningen van het ‘isometrische” type daarentegen brengen een aanzienlijke krachtontwikkeling met zich mee waar slechts een geringe spierverplaatsing tegenover staat. Het prototype van dit soort beweging is gewichtheffen, maar ook andere “weerstandssporten” omvatten in wisselende mate inspanningen van dit type, die een aanzienlijke bloeddrukverhoging en een concentrische hypertrofie van de linker hartkamerwanden kunnen veroorzaken.
Voorbeelden daarvan zijn alle sporten met hevige inspanningen van korte duur (sprint, snel zwemmen over 100 m, worstelen, judo), maar ook racketsporten (tennis, squash) en ploegsporten (voetbal, basketbal).
De intensiteit van de inspanning is eveneens iets waarmee rekening moet worden gehouden bij de sportbeoefening.
Sommige sporten zijn veeleisender dan andere, maar men kan ook een bepaalde sport op uiteenlopende intensiteitniveaus beoefenen (wandelen, joggen, fietsen, enkel- of dubbelspel tennis…).
|
Er bestaan tabellen die het energieverbruik in kcal/min weergeven, afhankelijk van iemands geslacht en lichaamsgewicht.
De voorbereiding van het sporten moet gebeuren volgens enkele basisregels en de belangrijkste daarvan is de geleidelijkheid. De periode van aanpassing aan de inspanning vraagt 3 tot 5 weken, afhankelijk van de lichaamsconditie waarmee men vertrekt. Vaak pleit men daarbij voor lichaamsoefeningen volgens het principe van “intervaltraining” waarbij men korte inspanningspieken (bijvoorbeeld 5 tot 10 minuten hardlopen) afwisselt met minder zware inspanningen (wandelen tegen een normale snelheid).
De duur van de intensiteit van de oefening die nodig zijn om meetbare cardiovasculaire effecten te bereiken zijn van die aard dat men er een hartslag mee haalt die gelijk is aan ten minste 70 % van de maximale hartslag. Die kan men als volgt ramen: 220 min de leeftijd.
Bij iemand van 50 jaar is dat bijvoorbeeld 220 – 50 = 170; de hartslag tijdens de training wordt dan 70 % van 170 = 120/minuut. De bovengrens van de hartfrequentie tijdens het trainen kan men ramen volgens de formule: 190 – leeftijd; in ons voor beeld van een 50-jarige is dat dus ongeveer 140/minuut.
Beschikt men over de resultaten van het gemeten maximum zuurstofverbruik tijdens een inspanningstest, dan komt de aanbevolen hartslag tijdens het trainen overeen met de hartslag bij 60-80 % van de VO2 max.
De resultaten van de training kan men beoordelen aan de hand van de hartrespons: verlaging van de hartslag in rust met 10 à 15/minuut, verhoging van de subjectieve weerstand bij inspanningen met toenemende intensiteit. De optimale aanpassing wordt doorgaans bereikt na 3 tot 5 maanden training.
De aanbevelingen bestemd voor de algemene bevolking zijn terug te vinden in een consensusverklaring die uitgaat van het symposium Belgium on the Move, dat in 2000 werd georganiseerd door de Belgische Federatie tegen Kanker, in samenwerking met andere organisatie zoals de Belgische Cardiologische Liga.
Dit zijn de aanbevelingen :
- Alle jongeren tussen 6 en 20 jaar moeten elke dag van de week gedurende 60 minuten aan matige lichaamsbeweging doen. Voor mensen die niet actief zijn wordt aangeraden te beginnen met 30 minuten per dag. Tegelijk moeten twee keer per week intensievere activiteiten beoefend worden, toegespitst op het behoud of de verbetering van de lichaamsconditie.
- Alle volwassenen tussen 20 en 64 jaar moeten drie tot vijf keer per week gedurende 30 minuten aan matige lichaamsbeweging doen. De totale activiteitsduur mag gehaald worden door inspanningsperioden van 10 minuten op te tellen. Daarnaast moeten de volwassenen twee tot drie keer per week oefeningen doen om hun kracht, hun soepelheid en de toestand van hun beendergestel te verbeteren of te onderhouden.
- Alle mensen van 65 jaar en ouder moeten lichte tot matige lichaamsbeweging in hun dagelijks leven inbouwen. Bovendien moeten ze oefeningen doen om hun spierkracht, hun soepelheid, hun evenwicht en hun oog-handcoördinatie te onderhouden of te verbeteren.
Dit lijkt me nogal moeilijk om te onthouden! Het is bekend dat stevig doorstappen de meeste volwassenen in staat stelt een hartfrequentie te halen die in de buurt komt van de maximumwaarde.
Een eenvoudige aanbeveling is dan ook 30 minuten per dag stevig wandelen, bijvoorbeeld omdat u toch de hond moet uitlaten. We hebben het dan over een wandelsnelheid waarbij uw kleding wel nat is (van het zweet) maar u toch nooit buiten adem raakt.
Voor bejaarde mensen zijn regelmatig stappen, zwemmen en tuinieren aanbevolen.
|
2. Zijn sommige sporten af te raden voor het hart ? Welke dan wel ?
Er zijn niet echt sporten die als zodanig af te raden zijn voor het hart. Alles hangt af van hoe het hart eraan toe is, hoeveel conditie men heeft en hoe oud men is. We zagen reeds dat uithoudingssporten met dynamische oefeningen de voorkeur verdienen boven weerstandssporten met isometrische oefeningen, hoewel voor iemand die in goede gezondheid verkeert een combinatie van beide types niet uit den boze is.
Er is een zekere media-aandacht geweest voor sporten die een groter hartrisico leken in te houden, zoals squash in Groot-Brittannië, voetbal en fietsen in Italië, basketbal in de Verenigde Staten enz.
In feite hangt het aantal gerapporteerde hartstilstanden tijdens het sporten meer samen met de populariteit van de sport in kwestie in het betrokken land, dus met het aantal beoefenaars, en met de wijze waarop de gevallen worden opgespoord door de sportfederaties. Uiteraard speelt de intensiteit van de sport ook mee: het is bekend dat een half uur squash wat energieverbruik betreft overeenkomt met een uur tennis enkelspel !
Bij hartlijders – met een aangeboren of verworven hartkwaal – zal het type sport zorgvuldig gekozen moeten worden op basis van het soort hartkwaal.
Men dient een cardioloog te raadplegen, die zich zal baseren op een geheel van internationale aanbevelingen met betrekking tot sportsoorten die toegelaten zijn voor bepaalde hartaandoeningen.
3. Ik heb een hartinfarct gehad, wat voor sport mag ik nog beoefenen ?
Na een hartincident van enige omvang, zoals een myocardinfarct, blijft lichaamsbeweging toegelaten en zelfs aanbevolen aangezien ze ook een rol speelt om het gevaar voor recidief of verwikkelingen te verkleinen. Men noemt dat “secundaire preventie”.
Lichaamsbeweging maakt deel uit van de hartrevalidatie binnen 6 maanden na een myocardinfarct.
De beste aanpak voor die revalidatie is deelnemen aan de multidisciplinaire sessies die worden georganiseerd in een door het RIZIV erkend centrum voor hartrevalidatie.
Na afloop van de 45 sessies waarin in ruime mate aan lichaamsbeweging wordt gedaan met kinesitherapeuten die gespecialiseerd zijn op vlak van het hart, stelt men een verbetering van de fysieke vermogens vast die meer te maken heeft met de perifere effecten van aangepaste stofwisseling en hemodynamiek dan met een toename van de contractiefunctie van de hartspier.
Uit verscheidene onderzoeken met betrekking tot een voldoende groot aantal patiënten blijkt als gunstig effect een vermindering van de cardiovasculaire mortaliteit met 20 tot 25 %, maar geen significante weerslag op infarctrecidieven.
Na de hartrevalidatieperiode die op een infarct volgt, blijft het aanbevolen door te gaan met lichaamsbeweging, eventueel door mee te doen aan de activiteiten van “coronary clubs” (zoals SUST vzw), waar een vorm van medisch toezicht voorzien is, of op eigen houtje; in dat geval kiest men een matig activiteitsniveau en hoedt men zich voor krachtsporten of voor competitiegeest, aangezien die de patiënten ertoe zouden kunnen aanzetten de grenzen van hun lichamelijke capaciteit te overschrijden en er gevaarlijke ritmestoornissen zouden kunnen optreden.
Prof. Dr. Chr. Brochet
Universitaire Klinieken Sint-Lucas, UCL
Voorzitter Wetenschappelijke Adviesraad van de
Belgische Cardiologische Liga
|
In België zijn er onder de 15-plussers ongeveer 250.000 personen met type 2 diabetes en waarschijnlijk nog eens zoveel bij wie hun diabetes niet ontdekt is.

1. Waarom is er sprake van twee types
diabetes ?
De term diabetes verwijst naar een ziekte die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van suiker in de urine (glycosurie) ten gevolge van een te hoog bloedsuikergehalte (hyperglycemie). Het gaat dan om diabetes melitus van type 1, ook wel insulineafhankelijke diabetes genoemd.
De behandeling bestaat er dan ook in de ontbrekende insuline aan te vullen en te zorgen voor een aangepaste voeding en levenswijze.
Er bestaat nog een tweede soort diabetes: type 2 diabetes. Dat komt veel vaker voor en heeft te maken met een toenemende uitputting van de alvleeskliercellen die insuline afscheiden, een gevolg van de toenemende vraag die verband houdt met insulineresistentie.
Glucose in het bloed is de voornaamste brandstof van het lichaam en dankzij insuline kan die glucose makkelijker in de cellen doordringen. Bij insulineresistentie is er meer insuline nodig om eenzelfde hoeveelheid suiker in de cellen te krijgen. Geleidelijk zijn de cellen die insuline afscheiden niet meer opgewassen tegen die toenemende taak en wordt insulinetoediening van buitenaf noodzakelijk – daarom werd ook de oude benaming ‘niet-insulineafhankelijke diabetes’ opgegeven.
Dit diabetestype treft in hoofdzaak volwassenen op oudere leeftijd, maar er wordt steeds meer type 2 diabetes gediagnosticeerd bij jongere mensen (zelfs kinderen).
2. Op welke manier kan diabetes gevaarlijk zijn voor hart en slagaders ?
De voornaamste verwikkelingen gekoppeld aan diabetes houden verband met de afzetting van abnormale producten die worden gevormd door het teveel aan suiker in het bloed. Die afzettingen gebeuren zowel in de zenuwen als in de bloedvaten.
|
De aantasting van de zenuwen in de ledematen ligt aan de basis van diabetische neuropathie, die hoofdzakelijk tot uiting komt door pijn en een verlies van gevoeligheid.
De aantasting van de bloedvaten betreft nagenoeg alle bloedvaten, zowel de grote slagaders die de hersenen, het hart of de onderste ledematen van bloed voorzien, als de allerkleinste die bijvoorbeeld het netvlies of de niervaatkluwens van bloed voorzien. Afhankelijk van de grootte van de aangetaste slagaders spreekt men van macro- of microangiopathie.
Van de voetletsels die bij diabeteslijders uitermate veel voorkomen, ligt de oorsprong zowel bij de slagaders als bij de zenuwen. Maar het hart- en vaatrisico van een diabeteslijder houdt niet alleen verband met de afwijking in de suikerstofwisseling die zijn ziekte kenmerkt. Een diabeteslijder, en dan vooral als het om type 2 gaat (zie vraag 1) is namelijk heel vaak ook iemand die nog wel meer cardiovasculaire risicofactoren vertoont.
De meest voorkomende zijn overgewicht en zwaarlijvigheid, hoge bloeddruk en afwijkingen van de vetten in het bloed die atherosclerose in de hand werken. Het is aangetoond dat het cardiovasculaire risico van diabetici die eveneens deze andere risicofactoren vertonen, hoger ligt dan het risico bij diabetici die ze niet vertonen.
3. Hoe kan ik weten dat ik diabetes heb ?
Die vraag is niet relevant voor type 1 diabetes omdat de diagnose daarvan gebeurt op grond van een resem symptomen die men moeilijk naast zich kan neerleggen. Voor type 2 diabetes liggen de kaarten totaal anders: dit type wordt vaak pas laat gediagnosticeerd, tenzij men er actief naar op zoek gaat. Men gaat ervan uit dat er zonder actieve opsporing al 5 tot 7 jaar verlopen is eer de diagnose gesteld wordt, wat maakt dat vrijwel één type diabeticus op vier of vijf reeds één of meer complicaties vertoont op het moment van de diagnose.
De diagnose berust op het bloedsuikergehalte in nuchtere toestand, gemeten in een laboratorium: als dat twee keer na elkaar meer dan 1,26 g/l (7 mmol/l) bedraagt, is er sprake van diabetes.
Bij mensen met een bloedsuikergehalte tussen 1,10 g/l (6 mmol/l) en 1,26 g/l (7 mmol/l) wordt diabetes vermoed en zij moeten bijgevolg van nabij gevolgd worden. Onder de 1,10 g/l (6 mmol/l) is het bloedsuikergehalte normaal en is er geen sprake van diabetes.
4. Is opsporing van type 2 diabetes aanbevolen ?
Dit is in feite de kernvraag ! En het antwoord is dat massale opsporing niet nuttig is, maar een gerichte opsporing is wel volkomen gerechtvaardigd.
Wie komt dan voor die gerichte opsporing in aanmerking, dus hoe weet u of u best uw bloedsuikergehalte in nuchtere toestand kunt laten meten ?
Dat is beslist een nuttige stap indien u behoort tot de risicopersonen. Tot die categorie behoren mensen die ouder zijn dan 45 jaar, mensen met overgewicht of zwaarlijvigheid en zeker als dat overgewicht vooral hun buik betreft, mensen met diabetes in de familie en mensen met een cardiovasculair risico, en dan in het bijzonder mensen met hoge bloeddruk, rokers en mensen met een te hoog cholesterolgehalte.
Het is al vaak bewezen dat de behandeling van hoge bloeddruk en van lipidenafwijkingen in het bloed bij diabetici het voorkomen van verwikkelingen en overlijdens aan hart- en vaataandoeningen binnen de 5 jaar vermindert. Als het nog niet gebeurd is, is een dergelijk onderzoek eveneens aanbevolen voor alle hartlijders.
Uit meerdere onderzoeken blijkt dat er bijzonder veel niet-onderkende diabetici of mensen met hoog diabetesrisico zijn onder de slachtoffers van een hartinfarct.
|
5. Hoe belangrijk zijn de cardiovasculaire verwikkelingen in vergelijking met de andere verwikkelingen bij diabetici ?
Cardiovasculaire verwikkelingen komen tegenwoordig bij diabetici het meest voor en het is intussen ook duidelijk aangetoond dat het onder controle houden van alle cardiovasculaire afwijkingen en alle risicofactoren voor de langetermijnprognose van diabeteslijders minstens even belangrijk is als het bloedsuikergehalte onder controle houden, zoniet belangrijker.
Cardiovasculaire verwikkelingen vormen de voornaamst doodsoorzaak bij diabetici. Bij diabeteslijders is het risico van overlijden aan een infarct 2 tot 3 keer zo groot en zelfs als de patiënt voor het moment uit de problemen is, blijft het latere overlijdensrisico ongeveer twee keer zo groot als binnen de algemene bevolking. Het gevaar voor arteritis (die tot gangreen kan leiden) ligt 4 tot 6 keer zo hoog, het risico van een cerebraal vasculair accident 2 tot 3 keer zo hoog.
De aanwezigheid van andere klassieke risicofactoren speelt eveneens een rol bij het vergroten van het risico. In dat verband valt te signaleren dat de aanwezigheid van triglyceriden (een speciale vorm van vetten) in het bloed, wat binnen de algemene bevolking geen duidelijk bevestigende risicofactor is, in het geval van diabetes geassocieerd wordt met het optreden van cardiovasculaire verwikkelingen. Het gevaar voor cardiovasculaire verwikkelingen neemt eveneens toe (3 tot 7 keer) wanneer de nieren aangetast zijn tengevolge van diabetes.
Ten slotte dient men te weten dat cardiovasculaire aantastingen bij diabetici maar al te vaak pijnloos verlopen, waardoor het goed kan zijn dat een myocardinfarct het eerste en soms helaas ook het laatste teken is dat de kransslagaders aangetast zijn. Deze bijzonderheid verklaart waarom er systematisch moet worden gezocht naar een kransslagaderaantasting, zodat de aangewezen behandeling kan gestart worden.
Ook arteritis in de onderste ledematen kan pijnloos blijven en pas in een laat stadium gediagnosticeerd worden.
6. Met een correcte behandeling heb ik niets te vrezen …
Niets is ongetwijfeld niet het juiste woord, maar het is duidelijk dat een goed behandelde diabeticus minder risico loopt dan een slecht behandelde. Hierbij mag gesignaleerd worden dat diabetes behandelen absoluut niet stopt bij het nemen van geneesmiddelen.
Een optimale aanpak omvat dan ook een luik voeding en levenswijze dat even zwaar doorweegt als het luik geneesmiddelen.
Overigens is de behandeling van diabetes niet beperkt tot het opnieuw bereiken van een normaal bloedsuikergehalte en een geglycosyleerde hemoglobine van ≤ 7 %. De geglycosyleerde hemoglobine is het deel van de hemoglobine (de stof die de rode bloedlichaampjes hun rode kleur geeft) dat de suiker in het bloed fixeert. Aangezien een rood bloedlichaampje een levensduur van 3 maand heeft, geeft de geglycosyleerde hemoglobine het gemiddelde bloedsuikergehalte over 3 maanden weer. Het bloedsuikergehalte is als doelstelling van belang maar moet hand in hand gaan met een normalisering van alle klassieke cardiovasculaire risicofactoren om de best mogelijke cardiovasculaire preventie te verzekeren.
In dat verband dient men te weten dat voor vetten en hoge bloeddruk de waarden waaronder men best moet zien te geraken, voor diabeteslijders strenger zijn dan voor de bevolking in het algemeen (bloeddruk < 130/80 mmHg, cholesterol-LDL < 1g/l en triglyceriden < 1,5 g/l).
Deze strengere waarden zijn te verklaren door het zeer hoge risico dat verbonden is aan het feit dat men diabetes heeft. Wat het risico betreft wordt aan diabetes lijden beschouwd als gelijkwaardig met een hartinfarct achter de rug hebben.
|
|